De aanwezigheidsplicht van een verdachte bij zedendelict

Op 13 oktober 2020 is het wetsvoorstel Wet uitbreiding slachtofferrechten aangenomen door de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel houdt voor de verdachte in dat hij verplicht is om aanwezig te zijn als hij verdacht wordt van ernstige zeden- of geweldsmisdrijven. Bij dit wetsvoorstel is voornamelijk oog voor het belang van het slachtoffer: het slachtoffer kan zijn spreekrecht uitoefenen in het bijzijn van de verdachte. Hierdoor wordt de positie van het slachtoffer in het strafproces verstevigd. Volgens Minister Dekker, Minister voor Rechtsbescherming, is het van belang dat slachtoffers de kans krijgen om aan de verdachte te vertellen wat voor impact het misdrijf op hun heeft gehad.

 

Er is veel discussie over de vraag of de aanwezigheidsplicht van een verdachte niet in strijd is met de onschuldpresumptie zoals deze is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze presumptie houdt in dat de verdachte onschuldig is tot het tegendeel is bewezen. Volgens de Raad van State verzet de onschuldpresumptie zich niet tegen een aanwezigheidsplicht. Dit komt doordat de praktische gevolgen van deze wet gering zijn. Volgens het huidige wettelijke kader is het al mogelijk dat de rechter de aanwezigheid van een verdachte ter terechtzitting beveelt.

 

Het wetsvoorstel houdt verder in dat slachtoffers of nabestaanden tijdens de TBS-verlengingszitting gebruik kunnen maken van het spreekrecht. Verder breidt dit wetsvoorstel de kring van spreekgerechtigden uit doordat ook stief-familie van een overleden slachtoffer het spreekrecht toekomt.